Episode #1: Sustainer homes

Komende jaren, richting 2020, onderzoeken we hoe een duurzaam, vrij, gelukkig en comfortabel leven mogelijk is. Om het uiteindelijk te gaan leven. Het pad hiernaartoe delen we graag, omdat we hopen hiermee ook anderen te inspireren.

In deze eerste aflevering bezoeken wij een nieuw, circulair en duurzaam bouwconcept: sustainer homes

Episode #3: Teken je toekomst

Komende jaren, richting 2020, onderzoeken we hoe een duurzaam, vrij, gelukkig en comfortabel leven mogelijk is. Om het uiteindelijk te gaan leven. Het pad hiernaartoe delen we graag, omdat we hopen hiermee ook anderen te inspireren.

Door onze droom te tekenen komt deze tot leven én verandert een groot idee in haalbare stappen.

Episode #4: Reality? Check!

Komende jaren, richting 2020, onderzoeken we hoe een duurzaam, vrij, gelukkig en comfortabel leven mogelijk is. Om het uiteindelijk te gaan leven. Het pad hiernaartoe delen we graag, omdat we hopen hiermee ook anderen te inspireren.

Leuk zo’n droom, maar bestaat die plek die je in gedachten hebt wel echt?

Episode #5: Holiday break

Komende jaren, richting 2020, onderzoeken we hoe een duurzaam, vrij, gelukkig en comfortabel leven mogelijk is. Om het uiteindelijk te gaan leven. Het pad hiernaartoe delen we graag, omdat we hopen hiermee ook anderen te inspireren.

Na een periode van inspanning, is herstel noodzakelijk om weer met volle kracht door te kunnen op onze zoektocht. De gouden wet van supercompensatie.

Waarom het kapot moet voor het beter wordt

Verschenen als publicatie op TvOO.nl (Tijdschrift voor Ontwikkeling in Organisaties)

Veel organisaties starten de ene verandering alweer in voordat de vorige goed en wel is afgerond. Na de LEAN-transformatie staat agile werken weer voor de deur. En nog halverwege de ene reorganisatie noopt de nieuwe strategie alweer tot het voorbereiden van de volgende. Daarmee lijkt een belangrijk inzicht uit de trainingsleer nog niet te zijn doorgedrongen binnen de veranderkunde. Namelijk dat inspanning en ontspanning elkaar nodig hebben om tot duurzame verbetering te komen. Zonder periodes van relatieve rust raakt een organisatie eerder ‘overtraind’ dan dat het leidt tot betere prestaties.

Supercompensatie

Topsporters weten al lang dat hun trainingsprogramma uit een uitgekiende mix tussen training en herstel moet bestaan. Doen ze dit niet, dan kunnen ze de medaille op voorhand op hun buik schrijven. Dat heeft te maken met een fenomeen dat supercompensatie heet. Supercompensatie is een ingebouwde eigenschap die elk organisme op celniveau heeft. Het is onze evolutionaire beschermengel om in de toekomst beter voorbereid te zijn op tegenslagen die we in het verleden hebben mogen ervaren.

Dit werkt als volgt: bij elke (trainings)inspanning ontstaan er letterlijk kleine scheurtjes in je cellen en spierweefsel. Maar het lichaam is een wonderlijke machine. Na de inspanning gaat het lichaam aan de slag om de schade te herstellen (autogenese).  Daar blijft het alleen niet bij. De cellen hebben de natuurlijke neiging om de gebroken verbindingen iets sterker te herstellen dan het oorspronkelijke niveau (figuur 1). Zo ben je de volgende keer beter voorbereid op een gelijksoortige inspanning. ‘What doesn’t kill you makes you stronger’ (Nietzsche), maar dan letterlijk. Dit fenomeen doet je conditie in de sport toenemen.

graphs_revision_final03

 

Figuur 1: Supercompensatie

 

Het subtiele verschil tussen betere prestaties en uitputting

De crux om je cellen, weefsel, spieren en daarmee prestaties te verbeteren zit daarmee in twee componenten:

A)    de juiste intensiteit van de inspanning: je wilt niet teveel, maar ook niet te weinig kapot maken.

B)    de juiste hersteltijd: je wilt de verbindingen zodanig laten herstellen dat de verbindingen het krachtigst zijn voordat je een nieuwe inspanning gaat doen.

Dit is de reden waarom topsporters die door blessures of jetlags een training hebben moeten missen, de haast onweerstaanbare neiging moeten weerstaan om de training ‘in te halen’. Als je toegeeft aan je neiging, dan breng je de nieuwe klap aan je lichaam toe op een moment waarop het op z’n zwakst is (figuur 2). Je inspanning werkt averechts, omdat het niet bijdraagt aan je gewenste doel: sterker worden.

graphs_revision_final02

Figuur 2: Uitputting bij overtraining

Organisaties als organismen

Ook organisaties zijn in veel opzichten organismen. In een steeds sneller veranderende wereld overleven alleen die organisaties die de uitdagingen uit hun omgeving het meest passend het hoofd bieden. Om dat te kunnen doen, is een zekere ‘fitheid’ gewenst. Je ziet daarom dat verandering in toenemende mate holistisch wordt bezien. De veranderaar is steeds minder de automonteur die een versleten onderdeel moet vervangen, maar steeds meer de sportcoach die een organisatie gidst naar de beste versie van zichzelf. Met aandacht voor het gewenste resultaat, maar met nadruk op de fysieke en mentale gesteldheid die voor het resultaat moet zorgen.

Organiseer herstel en ontspanning binnen je veranderaanpak

In deze analogie is het dus minstens net zo belangrijk om actief hersteltijd in je organisatie in te bouwen, wil je komen tot de gewenste resultaten (figuur 3). Voor de veranderaar is het dus van belang om bij elke veranderopgave de vraag te stellen: waar bevindt deze organisatie zich in de supercompensatie-curve? En, afhankelijk van het antwoord: wat is er dan nu nodig?

graphs_revision_final01

Figuur 3: De juiste balans tussen inspanning en herstel

Wat nodig is om te doen (of laten) voelt vaak contra-intuïtief: we komen uit een lange traditie waarin we organisatieverandering lineair beschouwen. Dus als we een situatie aantreffen die niet is zoals we deze graag zouden zien (uiteraard vaak de aanleiding voor een verandering), is onze haast natuurlijke neiging: de zweep erover. Actie! Dit terwijl de organisatie wellicht nog herstellende is van de voorgaande verandering.

Andersom hebben we ook vaak de neiging om verwaarloosde organisaties te ontzien. Om in de sportmetafoor te blijven, zijn dit organisaties die al een tijd niet meer aan het trainen zijn en daarmee kampen met een zwakke conditie. Vaak duiden we in analyses dit soort organisaties met verhullende termen als een ‘beperkt verandervermogen’. De stap die nodig is, is dan: een nieuwe uitdaging (met gepast ambitieniveau) in het vooruitzicht stellen. In plaat daarvan zien we dan in de praktijk vaak dat er zwaar wordt geleund op kunstmatige zijwieltjes (via inhuur van externen of het optuigen van zware programma’s) om de verandering te bewerkstelligen. Met alle risico’s van dien als deze tijdelijke hulpconstructie vroeg of laat moet worden ontmanteld.

Indien je de organisatie de impuls geeft die het nodig heeft, met de juiste timing, zal je al snel zien dat supercompensatie zijn werk gaat doen. De veerkracht neemt toe, het interne zelfvertrouwen in eigen kunnen groeit én het vertrouwen richting de toekomst en de leiding om nieuwe veranderingen aan te gaan wint aan terrein. En omdat de positieve resultaten in het kielzog volgen, is de kans aanwezig dat verandering verandert in een ‘leuke nieuwe uitdaging’ in plaats van ‘weer een nieuwe gril van de leiding’.

Het koffiezetapparaat als hartslagmeter van de organisatie

Binnen de sportwereld is er een betrouwbare raadgever om te herkennen waar een sporter zit in zijn curve: zijn hartslag in rusttoestand. Een lichaam in herstel pompt namelijk sneller bloed rond om afvalstoffen af te voeren en nieuwe brandstof naar de cellen te voeren dan een lichaam dat klaar is voor een nieuwe prikkel. Maar hoe zit dat bij organisaties?

In Nederland kennen we hoofdzakelijk kennisintensieve en dienstverlenende organisaties. Dat betekent dat de mate waarin informatie stroomt, de functie vervult van de bloedbaan om de organisatie in leven te houden. Dat maakt de collectieve betekenisgeving die plaatsvindt binnen de organisatie de voorspellende factor die we in de sport terugvinden in de hartslag. Wordt er momenteel voornamelijk afval afgevoerd (klagen)? Of zitten we aan het eind van een intensieve intervaltraining (deadlinestress)? De praat bij het koffiezetapparaat vormt daarmee één van de primaire informatiebronnen voor de veranderaar om zijn trainingsschema voor de organisatie op af te stemmen.

Het leven kan zo simpel zijn (maar is dat vaak niet)

Ik heb zojuist een statafel besteld!

‘Ehm, nou en? Moet jíj weten…’ Hoor ik je denken. Klopt. Het nieuws zelf is volstrekt oninteressant. Daar gaat het ook niet om.

Waar het wel om gaat is dat ik vandaag onder de douche een aantal problemen tegelijkertijd heb opgelost. Problemen die, omdat ik er niet goed uitkwam, lang onopgelost zijn gebleven.

In deze post ontrafel ik de problemen en ga ik op onderzoek uit wat mij belemmerde om de problemen op te lossen, en wat uiteindelijk de doorslag gaf om ze aan te pakken. Daarmee bevat dit artikel inzichten voor een ieder die ook ergens tegenaan hikt.

Probleem #1: Een ongezonde zittende werkhouding

Erik Scherder‘s tegeltjeswijsheid ‘Zitten is het nieuwe roken’, overigens vaak verhaspeld tot allerlei vaak komische parafraseringen, is zo waar als een koe. Ons lichaam is niet gebouwd om grotendeels zittend door te brengen. Al onze fantastische, natuurlijk aangeboren vermogens, verschrompelen letterlijk waar we bij zitten. En erger, met deze zittende houding verliezen we een groot deel van wat ons productief maakt: onze breinfuncties gaan achteruit, ons concentratievermogen neemt af, ons bloed stroomt suboptimaal door ons lichaam, we nemen meer calorieën in dan we verbranden en er ontstaan geleidelijk allerlei gezondheidsklachten. “Uit onderzoek is gebleken dat een derde van de Nederlanders zeven tot zestien uur per dag zit” rekent Scherder voor in een white paper met de gelijknamige titel als zijn tegeltjeswijsheid.

something-somewhere-went-terribly-wrong

Ook ik ben hier ruimschoots schuldig aan. En ook ik ben me hier, net als velen van ons, al langer van bewust. Ik kom regelmatig in kantooromgevingen, waar men elkaar de zin naar het hoofd slingert – je ziet het Jiskefet-tafereel al voor je: “Ja jah! Zitten is het nieuwe Roken he? Hèhè”. Of vaker hoor je een zin als “staan is het nieuwe zitten”/”roken is het nieuwe staan”/”staan is het nieuwe roken” (doorhalen wat niet van toepassing is). De zin wordt uitgesproken  zonder dat men er de logische consequentie aan verbindt. Hoe komt dat?

Nu wil ik hier al een tijd wat aan doen. Ik heb vaak het internet afgestruind naar oplossingen om eenvoudig mijn werkplek aan te passen. Maar telkens staakte ik halverwege mijn zoektocht: te duur, te lelijk, te onpraktisch, te veel ruimte in mijn woonkamer.

Zelfs het verwijt van mijn fysiotherapeut over mijn ongeschikte werkplek brengt geen verandering. Nu heb ik twee problemen: ik werk zittend, en voel me daar nog schuldig over ook!

Probleem #2: Meer buiten willen zijn tijdens werktijd

“Ah, wat is het mooi weer buiten!” Komt ook deze kreet je bekend voor? Let op het laatste woordje: buiten. Ik hoor hem vaak, met enig verlangen, uitgesproken in mijn bijzijn. En ik kan je verklappen, dat hoor ik dan niet uit de mond van boswachters, imkers, hoveniers, en andere buitenberoepen. Nee, dit zijn altijd zogeheten professionals: beleidsadviseurs, managers, zorg- / onderwijs-/marketing-/…- professionals (wederom, doorhalen wat niet van toepassing is), bestuurders, consultants.

Ook over binnenwerken is steeds meer onderzoek gedaan. Wederom professor Erik Scherder aan het woord: “Niet alleen fysiek, maar ook geestelijk kan de boog niet doorlopend gespannen zijn. Dus bied werknemers de ruimte om af en toe dat hoofd even leeg te maken. Laat mensen af en toe verplicht tien minuten uit het raam kijken. Bouw pauzes in waarop medewerkers zichzelf even niet cognitief belasten. Iedereen kent het gevoel wel dat je de hele dag op een probleem zit te ploeteren, en je komt er maar niet uit. Tot je ’s avonds op de fiets zit of onder de douche staat en de eureka je opeens te binnen schiet. Dat komt puur doordat de hersenen even de kans hebben gekregen om te rebooten, door even wat lucht erbij te laten.”

Maar ook hier, dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Je maakt geen goede sier als je een agendaverzoek afslaat omdat je even je ’10-minuten uit het raam tijd’ nodig hebt tussen twee overleggen. Overigens ben ik de eerste die met de ogen gaat rollen als ik mensen hoor die dat wel doen. Zelfs als ik thuiswerk, heb ik last van het stemmetje dat tegen me fluistert: ‘Doe iets nuttigs, wees productief’. Ik heb dit stemmetje Calvijn genoemd en we zijn inmiddels best goede vrienden.

Dus wat kan ik doen om wél buiten te zijn, maar ook Calvijn te vriend te houden?

Probleem #3: Een (on)gezellige ontmoetingsplek voor vrienden en familie

Ik droom graag. Het zal wel met dezelfde aandoening te maken hebben waar ook John Lennon mee kampte. Al toen ik hier 3 jaar geleden ging wonen droomde ik van een ongeplande zoete inval van vrienden die ineens op de stoep staan om dan uren samen te lachen, te praten en de wereld tot een betere plek te lullen. Vreemd genoeg droomde ik daar dan altijd zo’n Bertolli-tafel bij. Ik zou niet weten hoe ik dat op die 12 vierkante meter die mijn buitenplaatsje rijk is zou moeten passen, maar hé, als je droomt ben je niet zo kritisch.

“Ja jaah, John. Jij wel…”

In de praktijk komt dit er niet zo vaak van. Druk, andere plannen en als je dan even een avondje zonder plannen thuis bent, is het ook wel even goed zo. Bovendien zijn er in elke willekeurige stad plekken die zich veel beter lenen voor de setting met vrienden waar ik bij weg kan dromen. Die plekken zijn er namelijk helemaal voor ontworpen. Echt waar? Ja: het café als een droom die uitkomt.

Hoewel ik deze ontmoetingen in de stad koester, hebben ze niet de intimiteit die ergens thuis wel kan ontstaan. Naarmate de avond vordert, worden de gesprekken eerder oppervlakkiger dan dieper.

Probleem #4: Een te kleine arbeiderswoning om bovenstaande wensen in te combineren

Inmiddels ontstaat er een patroon in bovenstaande problemen. Telkens sneuvelt een mooi ideaal of ambitie in praktische bezwaren. En zo gaat het vaak. “Wat zou het toch mooi zijn als…?” “Ja, maar…”. Zodra de vernietigende combinatie van ‘ja’ en ‘maar’ om de hoek komt kijken, weet je vaak al hoe laat het is. Dit wordt niks. Leuk geprobeerd.

Een staande werkplek in je woonkamer? Ja maar, hoe dan? Meer buiten werken? Ja maar, hoe dan? Een kroeg aan huis? Ja maar, hoe dan?

De oplossing voor al uw problemen: koop een statafel!

Maar vandaag weiger ik de praktische bezwaren te laten winnen. Het door Erik Scherder geschetste eureka-moment komt inderdaad onder de douche (waarmee ik eens te meer zijn gelijk bewijs, geen dank Erik). Wat nou als ik een statafel koop en deze op mijn kleine buitenplaatsje van 12 vierkante meter plaats? Het wonderlijke is dat de oplossing ligt in het combineren van meerdere problemen. Waar je zou denken dat één probleem tegelijk oplossen al moeilijk genoeg is, blijkt hier dat het samenrapen van verschillende problemen ineens een nieuw perspectief biedt dat ik eerder nog niet had gezien.

De moraal (ja, er is een moraal, anders zou ik geen verhaal over een statafel vertellen)

Jullie begrijpen, mijn ideale leven begint zodra de statafel is geleverd. Vanaf dan werk ik gezonder, gelukkiger, productiever én na afloop: leef ik gezelliger. Ok, dit is misschien een klein beetje overdreven, maar serieus: het is op elk van die aspecten een stap in de goede richting. En daar gaat het toch om?

Ik begon dit stuk met een gevoel van ‘in dit alledaagse eureka-momentje ligt iets belangrijks besloten’. Voor degenen die nu zitten te wachten op de grote conclusie (al is het maar om Calvijn gerust te stellen dat je afgelopen 5 minuten iets nuttigs hebt gedaan), heb ik er hieronder maar liefst 5 voor je! Kies degene waar jij het meest mee kan en doe er je voordeel mee.

1. Koester een #fuckit mentaliteit

Koop gewoon die statafel als dat een goed idee is! De ingeving om een statafel te kopen viel me spontaan te binnen. Ik heb er gelijk een actie op gezet. Kans was groot geweest als ik dat ‘nog even had laten bezinken’, deze stap er weer niet van was gekomen.

2. Vertrouw op de eureka die komt als je ontspant

Broeden op deze vier problemen had waarschijnlijk niet veel uitgehaald, behalve dan dat ik me gefrustreerd zou voelen. Je ‘slimme onderbewuste’ is een fantastisch natuurlijk vermogen, waar iedereen toegang toe heeft.

3. Zoek de ontspanning gericht op

Om dat vermogen aan te boren, moet je er wel de omstandigheden voor creëren. Vlak voor de ingeving was ik even gaan hardlopen en als beloning trakteerde ik mij op een (iets te) lange, warme douche. Heerlijk, maar Calvijn begon zich tegen het einde alweer te roeren.

4. Ga voorbij aan praktische bezwaren, er is altijd een oplossing

Al te vaak laten we ons belemmeren terwijl dat helemaal niet hoeft. Maak er een gewoonte van om praktische bezwaren te negeren en te doen wat goed voelt. Voorkom dat je de mier wordt uit onderstaand filmpje.

5. Investeer in een stimulerende omgeving waarin het minder makkelijk is toe te geven aan excuses

Want hoe vaker je de praktische bezwaren negeert, hoe meer je een omgeving creëert waarin niet de smoesjes, maar de mogelijkheden vooropstaan. Nu ik deze statafel heb, heb ik het mezelf ook lastiger gemaakt om te ‘klagen’ over het verschil tussen mijn gewenste en mijn huidige levensstijl.

Waarom je bereid moet zijn ongelukkig te zijn om gelukkig te zijn

Geluk associëren we intuïtief met plezier, liefde, voldoening. Kortom, de ‘mooie dingen van het leven’. Vaak is onze intuïtie een fijn afgestelde graadmeter waar je maar beter goed naar kunt luisteren. Maar in dit geval werkt het niet zo. Als je niet bereid bent om ongemak te verduren, zal je nooit gelukkig zijn.

Verveeld kijk ik uit het raam van de trein. Ik voel me onrustig. Onwillekeurig vis ik telkens mijn telefoon uit mijn zak. Gedachteloos en routinematig scroll ik langs facebook, afgewisseld met het binnentrekken van nieuwe mailtjes. Wanneer ik me realiseer dat ik dit de afgelopen kwartier al drie keer haast dwangmatig heb lopen doen, steek ik mijn telefoon terug in mijn zak en ik dwing me even ‘niets’ te doen. Alle tijdschriften met artikelen over mindfulness hebben me geleerd dat ‘niets’ doen betekent dat je let op je ademhaling en probeert niet te veel te piekeren. Dat lukt me matig. Het is zonnig en de lente is jong. In principe mijn favoriete tijd van het jaar. Terwijl ik dieper Limburg inrol wordt het landschap steeds mooier en glooiender. Het lukt me niet om daar met mijn aandacht bij te zijn.

Zou ik deze gemoedstoestand als gelukkig omschrijven? Op het eerste gezicht niet. Wel overkomt het me met enige regelmaat. Vaak kan ik er wat aan doen als ik het bij mezelf opmerk, maar niet altijd.

Flow

Vooraanstaand psycholoog Csikszentmihalyi ontdekte in zijn studies naar geluk dat de gemoedstoestand die mensen het meest waarderen, waarop ze het meest gelukkig zijn, de momenten zijn van ‘flow’. Flow treedt op als je helemaal opgaat in een uitdagende taak waarin je je talenten volledig moet aanspreken om de taak uit te voeren. Het zijn de momenten waarop het voelt alsof alles vanzelf gaat. Het gaat precies zoals het moet gaan, alles valt in elkaar. Typische momenten waarop mensen flow ervaren is bij het ten gehore brengen van een mooi en ingewikkeld muziekstuk, als je met een sportteam ‘lekker in de wedstrijd zit’, of gedurende creatieve processen zoals schilderen of schrijven.

Het pijnlijke pad naar flow

Het bereiken van flow gaat echter niet over rozen. Dat is heel begrijpelijk als je kijkt naar de randvoorwaarden voor flow:

–        uitdaging
–        het gelijktijdig aanspreken van (een groot deel van) je talenten
–        je volledig kunnen overgeven aan het moment

Deze drie aspecten die tegelijkertijd moeten optreden vertalen zich direct naar drie bronnen van ongeluk.

Uitdaging

Als je van tevoren al weet dat het je gaat lukken, is het per definitie geen uitdaging. Flow vereist dus de moed om dingen uit te proberen waarvan je vooraf niet weet of je het kunt. En dat betekent dat het soms misgaat. Je hebt net niet voldoende geoefend om de situatie aan te kunnen, je bent te onervaren voor de taak of je maakt een inschattingsfout op een moment waarop er veel op het spel staat. Allemaal ‘part of the game’.

Aanspreken van je talent

Het aanspreken van je talent klinkt veel eenvoudiger dan het is. Allereerst vereist het zelfkennis: je moet weten wat je talenten zijn. Vervolgens zul je de talenten moeten ontwikkelen om ze effectief in te zetten. Een kind met een muzikaal gehoor is immers nog geen virtuoos topmuzikant. Csikszentmihalyi hanteert de vuistregel dat je ongeveer 10.000 uur moet oefenen in het uitvoeren van een taak/talent voordat je het beheerst tot het punt waarop flow kan optreden. En dat betekent dus ook uren van frustratie, doorzettingsvermogen, oefenen en telkens opnieuw proberen.

Flow

Czikszentmihalyi’s model van Flow

Overgeven aan het moment

En als je dan de juiste mate van uitdaging hebt en je talent is volledig ontwikkeld, dan nog ben je er niet. Dat briljante rapport dat je voor die belangrijke klant moet opleveren heb je misschien wel in je vingers, maar het komt er niet uit als je om de 20 minuten een andere collega aan je bureau hebt staan. Of als je om de 10 minuten je mail checkt. Je zult actief de omstandigheden moeten creëren waar je je talenten kunt omzetten in die uitzonderlijke prestatie. Dat is één van de redenen dat veel disciplines hun momenten van de waarheid organiseren. De wedstrijd in de sport, het optreden in de muziek, de deadline in het werk.

Geluk is hard werken

Aan de gelukzalige momenten van flow liggen dus vaak veel bloed, zweet en tranen ten grondslag. Vaak zelfs letterlijk. Dat maakt het kunnen omgaan met ongemak één van de belangrijkste eigenschappen om gelukkig te kunnen zijn.

Terug naar het onbestemde moment in de trein. Ik was onderweg naar één van de eerste trainingen die ik zou geven voor een managementteam. Er hing voor mij veel van af. Als ik het zou verkloten zou mijn zelfvertrouwen een flinke knauw oplopen. In het verkennende gesprek waren de verwachtingen hooggespannen. Wat als ik ze niet waar zou weten te maken? Als ik de groep niet goed aan zou voelen? Ik in mijn uitleg van de theorie de plank mis zou slaan? De door mij ontworpen werkvormen niet het juiste effect zouden hebben? Over drie uur zou voor mij ‘het moment van de waarheid’  volgen. Ik was gespannen en dwaalde in mijn gedachten telkens af naar die bijeenkomst.

De beloning: voldoening, effect en persoonlijke groei

Het is inmiddels half zes. Terwijl ik de ruimte terugzet in de oorspronkelijke opstelling komt er iemand naar me toe. ‘Dank je wel, je hebt me écht aan het denken gezet! Het is een onderwerp waar je meestal niet zo over nadenkt. Ik merkte vandaag dat ik dat eigenlijk veel vaker wél zou moeten doen.’

Een vriend zit die avond naast me op een barkruk. Mijn woorden buitelen over elkaar terwijl ik hem vertel over die middag. Het was heerlijk om te doen en ik had mijn grenzen verlegd. Bovendien voelde ik me nuttig: mede dankzij mijn bijdrage hebben nu een aantal mensen die op een invloedrijke positie zitten een aantal belangrijke nieuwe inzichten. Een vervolgafspraak staat al in de planning.

De bereidheid tot ongeluk

Het onrustige gepieker in de trein was daarmee niet slechts een gestrest moment van ‘niet gelukkig zijn’, maar tegelijkertijd een randvoorwaarde voor de flow van later die middag. Dat betekent overigens niet dat het leven een aaneenschakeling is van frustraties, zenuwen, rotklusjes die moeten leiden tot die spaarzame momenten van geluk of flow. Want ook het toewerken naar die bijzondere prestatie is vaak genoeg plezierig, leerzaam, leuk en interessant.

Het punt is meer dat je bereid moet zijn tot ongeluk. Om er dan gelukkig vaak achter te komen dat die bereidheid zelf voldoende is.

 

 

Wie ben jij om geluk na te streven?

Gisteren in de trein kreeg ik deze hele goede, op verontwaardigde toon gestelde, vraag. Het begon met een vriendelijke provocatie nadat ik vertelde over mijn bedrijf: ‘dus jij kan andere mensen gelukkig maken?’. Mijn antwoord raakte een snaar, waarna het vriendelijk kabbelend gesprek van daarvoor een andere wending aannam. Heel begrijpelijk, want we zijn niet gewend om naar onze eigen aannames te kijken. Terwijl deze heel bepalend zijn voor het geluk dat we nastreven.

De onverwachte waarde van een treinvertraging

Onderweg naar de verjaardag van mijn nichtje, gewapend met een paar minnie mouse sloffen, mis ik mijn aansluiting. De omroeper op het station heeft het steeds over de ‘weersomstandigheden’. Ik vermoed dat hij doelt op het plasje gesmolten sneeuw voor mij op het perron, want een waterig winterzonnetje verwarmt het bankje waar ik op zit te wachten. “Is de trein van 13.19uur al vertrokken of moet hij nog komen?” Vanaf dat moment heb ik een medereiziger, een rechtenstudente van 23 jaar. We raken aan de praat. Eenmaal in de trein, ergens tussen Amsterdam en Haarlem, komt de vraag of ik nog specifieke ambities heb voor de toekomst. Ik zeg haar dat ik een wedje heb gelegd met mezelf. “Altijd goed”, klinkt de aanmoediging om er meer over te vertellen.

Ik vertel haar dat ik een organisatie heb die zich richt op het vergroten van geluk. Een argwanende glimlach verschijnt op haar gezicht. “Dus jij kan mensen gelukkiger maken?”. De uitdagende toon drijft me niet in de verdediging, ik heb alle tijd om mezelf goed aan de kaak te laten stellen. Levert altijd iets interessants op: “Niet ‘ik’. Ménsen kunnen mensen gelukkig maken”. “Maar ze betalen jóu voor je workshops”. “Klopt, mijn workshops vormen de setting waar je als deelnemer kan onderzoeken hoe dat voor jou werkt.” Haar blik schoot naar het plafond van de trein, in gedachten verzonken. “Daar moet ik even over nadenken.”

Het lijkt de eerste keer dat ik bij haar de aandacht vestig op geluk als iets waar je bewust mee aan de slag kunt. Een derde reiziger doet net of ze niet meeluistert, maar doet dat iets te opzichtig.

Aanname 1: Je moet zelf wel heel gelukkig zijn, om je bezig te mogen houden met andermans geluk

“Maar ben jij in je workshops dan de ‘geluksexpert’?” vervolgt ze. “Nee, zeker niet. Elke workshop wordt mijn begrip van wat geluk kan zijn weer rijker, dus het is voor mij ook super leerzaam. Ik heb me er de laatste jaren wel heel bewust in verdiept. Daarmee heb ik ontdekt dat onze strategieën om gelukkig te worden, vaak niet al te effectief zijn. Terwijl er super veel kennis is opgedaan daarover de laatste 3.000 jaar. Persoonlijk lijkt het mij handig om daar gebruik van te maken.”

Aanname 2: Geluk is iets persoonlijks, daar kan niemand wat op zeggen

De reis tussen Amsterdam en Haarlem duurt niet zo lang. Jammer, want vlak voor we aankomen springt de derde reiziger met energie in het gesprek. Ze kan zich niet meer inhouden. “Met hedonisme is helemaal níks mis!” slaakt ze terwijl we langs een drukbezochte IKEA rijden en hardop filosoferen in hoeverre je nou écht gelukkig wordt van Zweedse gehaktballetjes met cranberry-saus. Ik begin nog meer plezier te krijgen in dit gesprek. Intussen excuseert ze zich dat ze ons heeft zitten afluisteren. Ze licht toe dat ze zich als afgestudeerd historica heeft verdiept in de ideeënkunde (dat lijkt me overigens een fantastisch vakgebied!), en dat ze wel degelijk een aardig woordje mee kan praten over het onderwerp. Ik breng in dat ik nooit heb beweerd dat er iets mis is met hedonisme, en voeg er aan toe dat het mij precies draait om wat zij gedaan heeft: je verdiepen in de verschillende opvattingen achter geluk, zodat je zelf je keus kan maken.

Aanname 3: Geluk overkomt je, daar heb je zelf geen invloed op

De rechtenstudente lijkt nog niet helemaal overtuigd dat een workshop een goede investering is als je gelukkiger wilt worden, maar ze is zichtbaar aan het denken gezet. Ook bij mij is er dankzij het gesprek weer iets in gang gezet. Hoe komt het dat ik zo veel losmaak als ik uitspreek dat het mijn intentie is om geluk te doen vergroten? Zelfs bij wildvreemden? Vanuit het niets beland ik in het beklaagden bankje, alsof ik iets fouts heb gezegd. Alsof ik een aanval heb gedaan. Vanuit het niets ontstaat een geanimeerd gesprek. Vanuit het niets veranderen drie voorbijgangers, die in principe weinig met elkaar te maken hebben, in gespreksgenoten die een gesprek voeren alsof er iets belangrijks op het spel staat.

Afbeelding: Is geluk maakbaar?

Het lijkt er sterk op dat ik iets heb geraakt waar ik niet aan mag komen. Wat dat ‘iets’ is? Hier een mogelijke verklaring: ik denk dat heel veel mensen ongemakkelijk worden van het idee dat je zelf invloed uit kan oefenen op je geluk. Alsof ik daarmee zeg dat als je niet helemaal gelukkig bent, dit vooral je eigen schuld is. En dat een workshop van mij hiervoor de remedie zou zijn.

Het beeld dat het best past bij deze opvatting van geluk is een klavertje-vier. Het leven is een willekeurige opvolging van ontwikkelingen. Meestal niks uitzonderlijks, met af en toe een uitschieter naar boven of onder. Geluk overkomt je, net als bijvoorbeeld verliefdheid. Geniet ervan als het gebeurt.

Uiteraard is er veel in het leven waar we geen enkele grip op hebben. En ik denk ook zeker dat geluk deels wordt bepaald door de mate waarin je je met dat gegeven kunt verenigen. Toch betekent dat niet dat geluk als een soort lot uit de loterij is.

Aanname 4: Geluk ligt (deels) in je eigen handen

Dat brengt me bij mijn eigen aanname. Uiteindelijk heb ik er zelf ook geen hard bewijs voor dat je zelf aan de basis staat van het geluk van jezelf en anderen. Toch geloof ik in een wereld die we samen maken. En in de wetenschap, filosofie, religie en andere bronnen van wijsheid (zoals bijvoorbeeld dit uitstekende boek) vind ik telkens weer indicaties dat dit in elk geval deels waar is. Maar vooral vind ik bevestiging uit mijn eigen ervaring. In elk besluit, in elke handeling bouwen we aan de huidige en toekomstige wereld. Zoals een boer die zijn akker met zorg en liefde bebouwt. Dat is geen garantie voor een gelukte oogst, maar het brengt de kans daarop wel dichterbij. Daarmee heb ik zelf in elk geval het antwoord op de vraag “wie ben jij om geluk na te streven?”

Stel geen doelen, maar vragen

“We should not concern ourselves so much with the pursuit of happiness, but with the happiness of pursuit” Fragment uit Hector and the Search for Happiness (2014)

Lewis Carroll’s inzicht: vragen zetten in beweging

‘Alice begon er genoeg van te krijgen om naast haar zusje aan de waterkant te zitten en niets te doen: ze had een paar keer in het boek gegluurd, dat haar zusje aan het lezen was, maar daar stonden geen plaatjes en gesprekken in. “En wat is nu een boek zonder plaatjes en gesprekken?” dacht Alice.’ Dit zijn de eerste twee zinnen uit Alice in Wonderland, de klassieker van Lewis Carroll uit 1865. Haar verveling is wat haar op zoek doet gaan naar afleiding. Of beter eigenlijk, haar nieuwsgierigheid. Ze wil op zoek naar een wereld waarin het anders kan, een wereld waarin boeken alleen uit plaatjes bestaan. Een wereld waarin het gebruikelijke ongebruikelijk is en andersom. Een wonderlijk avontuur volgt door een konijn te achtervolgen. Een avontuur waarin het onmogelijke mogelijk blijkt. (Voor de liefhebber: hier de link naar de heerlijke en tijdloze disney-tekenfilm uit 1951)

Waarom doelen niet bevredigen

Het kortste antwoord is: omdat we er aan gewend raken. Daniel Gilbert, auteur van ‘Stuiten op geluk’ (2009), toont in zijn onderzoek aan dat lotto winnaars een jaar na het winnen van de loterij net zo gelukkig zijn als een jaar daar voor. Maar het gekke is, hetzelfde geldt voor mensen die sinds een jaar verlamd zijn geraakt. Terwijl als je naar de verkoopcijfers van de staatsloterij kijkt, mensen ‘het winnen van de loterij’  vaker als doel stellen dan ‘verlamd raken’. Gilbert noemt dit de ‘impact bias’ en beschrijft deze als volgt: ‘De menselijke neiging om de hedonistische impact van toekomstige situaties te overschatten’.

De realiteit: targets, doelstellingen en voornemens

Toch zijn de meeste organisaties gericht op het halen van doelen. Een charitatieve organisatie stelt zich ten doel om 10.000 mensen aan schoon drinkwater te helpen. Een marketingbureau wil graag met 10% groeien in een jaar. Een salesafdeling moet een bepaald aantal acquisitiegesprekken voeren. De aanname is dat het stellen van doelen de beste manier is om invulling en richting te geven de reden waarom de organisatie bestaat. Het motiveert mensen en geeft duidelijkheid in wat we willen bereiken.

Maar wat gebeurt er als een organisatie een doel haalt? Als je mazzel hebt, ontvang je dan een uitnodiging voor een bedrijfsborrel. Als je pech hebt, stelt de directie de volgende dag de doelstelling naar boven bij. En als je het doel niet haalt? Afhankelijk van de organisatie krijg je op je donder (‘geen bonus dit jaar’), dezelfde opdracht opnieuw (‘doe beter je best’), verandert men de doelstelling (‘hmm, dit was toch niet realistisch’) of gebeurt er niets (‘oh, jammer. volgende keer beter’). Maar in de meeste gevallen gebeurt er niet zo veel in vergelijking met wat we er vooraf van hadden verwacht.

Bovendien hebben doelen nog een veel gevaarlijker bij-effect: dat ze niet meer in lijn zijn met de intentie achter het doel. Een voorbeeld uit mijn eigen werk als organisatieadviseur. Een proces dat is ingericht om mensen zo snel mogelijk helderheid te bieden over de heffing die ze verschuldigd zijn, heeft als doel om hun verzoek binnen twee dagen af te handelen. Omdat er zo sterk op dit doel wordt gestuurd, blijkt dat voor veel mensen een nacalculatie nodig is en zij na een periode van 1 tot 5 jaar een naheffing krijgen. Het doel (snel afhandelen) is niet meer in lijn met de intentie (mensen zo goed mogelijk helpen aan hun verplichting te voldoen).

Het alternatief: uitdagende en prangende vragen 

Om de kracht van vragen te ontdekken, is een korte blik op de wetenschap genoeg. Vragen vormen de basis van wetenschappelijk onderzoek. Het mooie van een goede vraag is dat je kan blijven verfijnen. Hoe maken we de wereld een mooiere plek? Alles wat je te weten komt over deze vraag is pure winst. Toch zal de vraag altijd nog voor een deel onbeantwoord blijven.

Iedereen die ooit een scriptie heeft moeten maken, weet hoe lastig het is om a) een goede vraag te stellen en b) deze te beantwoorden. En dat is juist het mooie eraan. Het dwingt je om je op nieuw terrein te begeven. Zonder goede vragen was het ons nooit gelukt om met een vliegtuig over de oceaan te vliegen, of om zonnepanelen uit te vinden.

Wat is de juiste vraag?

Dat is een goede vraag. Als vragen stellen beweging tot gevolg heeft, is de aard van de vraag cruciaal. Daarmee bepaal je immers de richting. Gelukkig zijn er mensen die hun hele leven wijden om daar meer zicht op te krijgen. Eén van die mensen is Edgar Schein. Schein stelt dat de essentie van de vraag verder gaat dan het stellen ervan. In essentie gaat het om een houding van interesse en nieuwsgierigheid. Je stelt je daarmee open voor een ander / iets anders, een cruciale randvoorwaarde om iets nieuws te weten te komen. Anders herbevestig je alleen wat je eigenlijk al wist, en kom je dus niet verder.

Dit is in de praktijk best lastig omdat je je kwetsbaar opstelt. Bij het stellen van de vraag ben jij immers degene die ‘niet weet’, en dat maakt je afhankelijk. Juist die tijdelijke kwetsbaarheid biedt ruimte aan iemand anders om jou te vertellen wat je nodig hebt om verder te komen. Gelukkig is er een sterke prikkel van de ander om jouw vertrouwen in hem/haar niet te beschamen. Doet hij dit wel dan zal je de volgende keer wel twee keer nadenken voor je diegene in vertrouwen neemt.

Vragen die geluk bevorderen 

De alles omvattende ‘gelukzalige’  vraag, je raadt het al, bestaat niet. Daarvoor is geluk een veel te persoonlijke en grillige aangelegenheid. Wel kun je de kunst van het vragen stellen toepassen op je zoektocht naar geluk. Ik noem een paar aandachtspunten.

1. Stel je vraag gericht op iets dat je écht wil weten
Pas dan zal je de houding van interesse en nieuwsgierigheid makkelijk kunnen opbrengen. De antwoorden die je krijgt zijn belangrijk voor je.

2. Zorg dat je vraag begint met ‘Hoe…?’
Een hoe-vraag leidt tot inzichten die je om kunt zetten in ander gedrag. Een hoe-vraag zet daarmee verandering in gang.

3. Test je vraag eerst even uit
Het helpt om eerst een paar gesprekjes met vrienden/familie rondom je vraag aan te gaan. Zo leer je of je echt al de juiste vraag te pakken hebt en kun je hem nog een beetje bijstellen.

4. Deel je vraag met anderen
Houd de vraag niet voor jezelf. Je weet immers het antwoord op je vraag niet, dus ook niet uit welke hoek je het antwoord kunt verwachten. Vaak komen de meest waardevolle inzichten uit onverwachte hoek.

5. Leer te luisteren
Het moeilijkste van het zoeken naar het antwoord, is het te herkennen als je het krijgt. Wees stil en alert. En als je je vraag hebt gesteld, wacht dan ook eens af wat er komt.

6. Wees niet gauw tevreden
Je zal merken dat je vraag meerdere lagen van diepgang kent. Bij wezenlijke vragen is het eerste antwoord dat opkomt, niet per se het beste antwoord. De beste graadmeter voor de kwaliteit voor je antwoord is de voldoening die je zelf uit het antwoord haalt. Als het antwoord onbevredigend is, ben je er nog niet helemaal. Overigens betekent dat niet dat een onbevredigend antwoord per definitie onjuist is. Soms valt een antwoord in eerste instantie een beetje tegen. Dit komt omdat we de neiging hebben om iets waar we hoge verwachtingen van hebben, te romantiseren.

7. Waardeer de antwoorden die je krijgt
Deze tip is heel belangrijk. Hij werkt als een soort van positieve feedbackloop. Wees dan ook expliciet dankbaar als je een (deel van een) antwoord krijgt. Zowel voor jezelf als voor anderen maak je de drempel lager om met waardevolle informatie te komen. Daarmee neemt je eigen ontvankelijkheid toe en zul je een sfeer creëren waarin vrienden, voorbijgangers, klanten en collega’s zich uitgenodigd voelen om te komen met de informatie die jij nodig hebt. Je zult merken dat hoe dankbaarder je bent, hoe harder je voortgang boekt bij je zoektocht.

8. De beste vragen zijn nooit ‘af’
Probeer dit een tijdje actief. Je zal zien dat het leuk is en verslavend werkt. En gelukkig is er oneindig veel te ontdekken.

Vragen op individueel en op organisatieniveau 

De antwoorden hierboven kunnen op meerdere niveaus worden gesteld. Op het eerste gezicht lijken het persoonlijke vragen, maar de meeste vragen zijn ook op organisatieniveau van toepassing. Een voorbeeld uit mijn eigen ervaring om dat te illustreren. Voor ik met ReignBow startte, zocht ik telkens naar het juiste moment om ‘groots’  te beginnen. Een organisatie gericht op het vergroten van geluk, dat is toch niet niks. Dat moet starten met een ‘big bang’  toch? Het antwoord op mijn vraag ‘hoe start ReignBow actief met het vergroten van geluk?’ kwam op twee onverwachte momenten. Het eerste moment kwam door collega’s die interesse toonden in mijn ideeën en zich opwierpen als ‘proefkonijn’. Het tweede moment was toen een vriend van mij me aanbood om te werken aan deze website. Feitelijk was het antwoord ‘door gewoon te beginnen’. Ineens was ik dus al begonnen zonder dat ik er goed en wel erg in had. Een antwoord dat eigenlijk even simpel, ontluisterend als inspirerend is.

Wat zijn jouw vragen?

 

Waarom de naam ReignBow?

Telkens als ik vertel over wat ik doe, krijg ik de vraag ‘hoe kom je aan die naam?’ Nou, zo dus.

Zoeken naar wat jou gelukkig maakt

De regenboog is al heel lang een symbool voor geluk. Denk ook aan de pot goud aan het eind. En als je kijkt naar een aantal eigenschappen van een regenboog, is het eigenlijk een heel logisch symbool. Een regenboog komt tot stand door een combinatie van (schijnbare) tegenstrijdigheden. Hij verschijnt slechts als het tegelijkertijd regent en de zon schijnt. Dat maakt een regenboog tegelijkertijd bijzonder (je ziet ‘m niet elke dag), mooi (het witte licht van de zon valt uiteen in alle mogelijke kleuren door het prisma van de regendruppels) en vluchtig (hij is weg voor je erg in hebt). Ten slotte bepaalt je positie en je kijkrichting of je de regenboog ook daadwerkelijk te zien krijgt. Dat maakt het zien van een regenboog tot een persoonlijke aangelegenheid. Ook zoeken naar geluk is een grillig proces. Tegelijkertijd is het impliciet of expliciet ons streven om gelukkig te zijn. Niemand staat ‘s ochtends op met het idee: ‘laat ik vandaag eens kijken of ik het hier een stukje ellendiger kan maken dan gisteren’. Hoe vergroten we dan de kans om onze eigen regenboog zo vaak mogelijk te zien?

Leef jouw leven

Reign. Regeer. Met andere woorden, neem het heft in handen van jouw leven. Jij bent de enige die het kunt leven. We leven in een tijd waarin er zo veel prikkels op je af komen, dat je zo maar de hele dag bezig kan zijn om daar gehoor aan te geven. Shoppen, werken, vrienden zien, een familiebezoek. Allemaal belangrijk, allemaal legitiem. Maar wiens leven leef je? Ik wil zeker niet zeggen dat er ook maar íéts mis is met elk van de net genoemde activiteiten. Maar in hoeverre kies je ze zelf, of dringen ze zich aan je op? Mijn stelling is dat je meer voldoening haalt, én meer te bieden hebt, als jij bewust kiest voor waar je je energie en talenten aan besteedt. Want ‘if you don’t drive, you’re driven’.

Respectvol naar je omgeving

Krijg je dan niet een heel inhalige wereld? Eén waarin elk individu zo hard mogelijk probeert om zijn buit binnen te slepen? Als het moet ten koste van anderen? Daar ben ik eerlijk gezegd helemaal niet zo bang voor. Onderzoek wijst uit dat de meest effectieve weg naar geluk is om je te bekommeren wat jij kunt doen voor anderen. We zijn hier om wat te halen, maar ook wat te brengen. Als we te eenzijdig te werk gaan, merk je dat gelijk aan je energiehuishouding en daarmee aan hoe gelukkig je bent. De grootste kunst is om jouw drijfveren en talenten af te stemmen met je omgeving. En daar heb je anderen voor nodig. Bow dus. Met een respectvolle houding richting elkaar komen we verder.